bedplank

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɛtplɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plank aan de voorkant van een bedstee die ervoor zorgt dat iemand niet uit bed valt
    In het Land van Morbihan heeft wederom eene andere zonderlinge gewoonte plaats. Wanneer aldaar de jonggetrouwden zyn naar bed gegaan, plaatst zich een der Bruidegoms broeders op de bedplank, met den rug naar de jonggetrouwden gekeerd, en met eene aangestookene kaars in de hand; in welke houding hy daar blyft zitten, tot dat de ten einde gebruikte kaars hem de vingers brandt. (1800)– [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen [https://www.dbnl.org/tekst/_vad003180001_01/_vad003180001_01_0296.php Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1800]

Uitdrukkingen

  • van de bedplank zijnprecies 9 maanden na het huwlijk van de ouders geboren zijn