been
onzijdig (het)/ben/
Wat is de betekenis van been?
been betekent: (anatomie) ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen, meestal specifiek met betrekking tot het menselijk lichaam
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen, meestal specifiek met betrekking tot het menselijk lichaam
- (anatomie) bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
- (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
zelfstandig naamwoord
- zoon (alleen in onderstaande verbindingen)
Voorbeelden van "been" in een zin
- Een mens heeft twee benen terwijl een hond vier poten heeft.
- Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.
- Een volwassen mens heeft ongeveer 200 beenderen.
- Been is hard door het kalk wat erin zit.
Etymologie
*[B] van (been)
Uitdrukkingen
- (Nog) goed ter been zijn — (Nog) kwiek zijn.
- Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen — als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
- Dat is een blok aan mijn been — Dat maakt het me lastig.
- De benen nemen — Gauw weglopen, vluchten.
- Door merg en been gaan — hartverscheurend zijn
- Een blok aan het been hebben — niet vrij zijn en niet kunnen doen en laten wat iemand wil vanwege iets
- Ergens geen been in zien — ergens geen probleem in zien
- Geen been aan de grond krijgen — voorstel werd niet aangenomen
Vertalingen
Engelsleg, bone
Fransjambe, os
DuitsBein, Knochen
Spaanspierna, hueso
Italiaansgamba, osso
Portugeesperna, osso
Russischнога
Chinees腿
Japans脚
Koreaans다리
Arabischرجل
Turksbacak, kemik
Poolsnoga, kość
Zweedsben
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek