been

onzijdig (het)/ben/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen, meestal specifiek met betrekking tot het menselijk lichaam
    Een mens heeft twee benen terwijl een hond vier poten heeft.
    Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.
  2. anatomie (anatomie) bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
    Een volwassen mens heeft ongeveer 200 beenderen.
  3. anatomie (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
    Been is hard door het kalk wat erin zit.
zelfstandig naamwoord
  1. zoon (alleen in onderstaande verbindingen)

Etymologie

*[B] van (been)

Uitdrukkingen

  • (Nog) goed ter been zijn(Nog) kwiek zijn.
  • Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heenals twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
  • Dat is een blok aan mijn beenDat maakt het me lastig.
  • De benen nemenGauw weglopen, vluchten.
  • Door merg en been gaanhartverscheurend zijn
  • Een blok aan het been hebbenniet vrij zijn en niet kunnen doen en laten wat iemand wil vanwege iets
  • Ergens geen been in zienergens geen probleem in zien
  • Geen been aan de grond krijgenvoorstel werd niet aangenomen

Vertalingen

Engelsleg, bone
Fransjambe, os
DuitsBein, Knochen
Spaanspierna, hueso
Italiaansgamba, osso
Portugeesperna, osso
Russischнога
Chinees
Japans
Koreaans다리
Arabischرجل
Turksbacak, kemik
Poolsnoga, kość
Zweedsben