begaanbaarheid

vrouwelijk (de)/bəˈɣambarˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. terreingesteldheid die bepaalt hoe moeilijk een route is af te leggen
    Ja, hij weet dat Nederlanders graag klagen over de begaanbaarheid van wegen bij slecht weer.

Etymologie

*afgeleid van "begaanbaar"