begijn

vrouwelijk (de)/bəˈɣɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die, zonder een kloostergelofte af te leggen, met anderen gemeenschappelijk als geestelijke zuster leefde (vanaf begin der 13de eeuw)

Etymologie

**e. Een afleiding van Albigenzen is zowel naar betekenis als naar klank niet goed te verdedigen.

Vertalingen

Engelsbeguine
Fransbéguine
Spaansbeguina