beheersen

/bəˈhersə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) meester zijn over, het gezag uitoefenen over
    Hij weet zijn gevoelens heel goed te beheersen.
    Eén ding dat mijn stadse leven had beheerst was ik al helemaal kwijt: mijn gevoel voor tijd.
    De eindstrijd, de laatste stormloop. Hierin zou het lot van volkeren in een bikkelharde strijd worden beslist. Het ging erom wie de wereld zou beheersen.
  2. refl (refl) de baas zijn over zichzelf; meester zijn over de eigen gevoelens of impulsen
    Ze wilde glimlachen om deze ontdekking, maar wist zichzelf te beheersen.
  3. ov (ov) volledig verstaan
    De student beheerst de leerstof.

Etymologie

*Afgeleid van heersen

Vertalingen

Engelsdominate, control, master
Fransdominer, contrôler, maîtriser
Spaansdominar, controlar, dominar