beitel

mannelijk (de)/'bɛɪtəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een staafvormig, scherp stuk gereedschap met een punt of wigvormige snede aan de "kopse kant"
    De beitel is voor hak- en snijwerk bij menig vakman in gebruik.
    Ruim anderhalf uur na zijn vertrek kwam hij met een schroevendraaier en een beitel de hotelkamer binnen.

Etymologie

*afgeleid van het sterke werkwoord bijten

Vertalingen

Engelschisel
Fransciseau
DuitsBeitel, Meißel
Spaanscincel, escoplo, formón
Italiaansscalpello
Portugeescinzel
Russischзубило
Chinees凿子
Japans
Koreaans
Arabischمنقاش
Turksİskarpela
Poolsdłuto
Zweedsstämjärn
Deensstemmejern, mejsel