bekomen

/xxxx/

Wat is de betekenis van bekomen?

bekomen betekent: een goede of slechte uitwerking hebben

Betekenis

werkwoord
  1. een goede of slechte uitwerking hebben
  2. erga (erga) herstellen
  3. ov (ov) in eigendom krijgen*

Voorbeelden van "bekomen" in een zin

  • Het eten is mij niet goed bekomen.
  • Toen hij van de schrik was bekomen, kon hij eindelijk weer helder nadenken.
  • Deze slangenman kreeg direct de trailnaam Rattlesnake toebedeeld en toen ik een beetje was bekomen van de schrik vroeg ik of ik de slang ook even mocht vasthouden.
  • Hij wilde het nieuwe album van Robbie Williams bekomen.

Betekenis en uitleg van bekomen

Het woord 'bekomen' betekent iets verkrijgen of ontvangen, vaak na een bepaalde inspanning of ervaring. Je kunt het gebruiken om aan te geven dat je iets hebt gekregen of dat je hersteld bent van iets, zoals een ziekte of een schok.

Je gebruikt 'bekomen' vaak in situaties waar je iets terugkrijgt of herstelt. Dit kan variëren van het bekomen van je gezondheid na ziekte tot het bekomen van nieuwe inzichten na een leerervaring. Het woord heeft een positieve nuance, omdat het meestal verwijst naar een verbetering of een verworvenheid.

Voorbeelden

  • Na een lange reis had ik eindelijk mijn rust weer bekomen.
  • Ze heeft na de operatie goed kunnen bekomen en voelt zich nu een stuk beter.
  • Hij hoopt dat hij snel kan bekomen van de schok die hij had na het slechte nieuws.

Woordoorsprong

Het woord 'bekomen' komt van het Middelnederlandse 'becomen', wat betekent 'ontvangen' of 'krijgen'. Het is verwant aan het Engelse 'become', dat ook een verandering of verwerving impliceert.

Veelgestelde vragen over bekomen

Wat is de betekenis van bekomen?

bekomen betekent: een goede of slechte uitwerking hebben

Hoeveel betekenissen heeft bekomen?

bekomen heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je bekomen in een zin?

Voorbeeld: “Het eten is mij niet goed bekomen.

Etymologie

*afgeleid van komen

Vertalingen

Engelsgo down, affect, recover
Fransaffecter, marquer, remettre
Duitsbekommen, bekömmlich sein, genesen
Spaansreponerse, conseguir