belastbaarheid

vrouwelijk (de)/bəˈlɑstbarhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderhevig zijn aan heffingen door de overheid
    De Industriebond FNV heeft bij de Hoge Raad een in oktober 1989 begonnen fiscale proefprocedure gewonnen over de belastbaarheid van stakingsuitkeringen.
  2. hoeveelheid gewicht dat iets kan dragen
    De loodzware achterklep met een belastbaarheid van 200 kilo kan neergeklapt worden gebruikt als extra laadvloer en het beest mag 3.500 kilo trekken.
  3. elektrotechniek (elektrotechniek) hoeveelheid stroom die zonder problemen door een leiding of schakeling kan lopen
    De toetsingsgrens is gesteld op 60% als maximale belastbaarheid. De kabels mogen veelal niet hoger worden belast, omdat omschakeling in storingssituaties voor de meeste kabels mogelijk moet blijven.
  4. figuurlijk (figuurlijk) hoeveel inspanning die iemand kan opbrengen
    Met Kerst zullen de ziekenhuizen overbelast zijn en veel verpleegkundigen en andere zorgprofessionals zullen extra diensten moeten draaien terwijl de rek van onze belastbaarheid er echt al uit is.
    Ook fysiek slaat de verwekelijking toe. Verbijsterend hoe de belastbaarheid van de atleten teruggelopen is.
  5. figuurlijk (figuurlijk) hoeveelheid nadelige effecten die een systeem hoogstens kan verdragen
    Deze beweging heeft weliswaar een principieel conservatief standpunt (het bestaande is bijna altijd beter dan het nieuwe, en de milieugebruiksruimte is een gegeven, omdat de mogelijkheden en belastbaarheden van onze planeet een gegeven vormen), maar is in haar kritiek gericht op hetzelfde doel dat in elk geval sociaal-democraten nastreven, namelijk de wetten van de economie te onderwerpen aan morele maatstaven.

Etymologie

*afgeleid van "belastbaar"