belle époque

vrouwelijk (de)/ˌbɛleˈpɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode van ongeveer 1870 tot het begin van de Eerste Wereldoorlog, waarin althans de burgerij een redelijke welvaart kende, ontplooiing van de kunsten en wetenschappen optrad en een hoge mate van maatschappelijke rust heerste

Etymologie

*van het Frans"Belle Époque": 'mooie periode' (waaraan de gruwel van de de Eerste Wereldoorlog op vreselijke wijze een einde zou maken)