belofte

vrouwelijk (de)/bə'lɔftə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een mondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
    Belofte maakt schuld.
    Tijdens de huwelijksplechtigheid doe je de belofte elkaar altijd trouw te blijven.
    Het kabinet-Schoof maakte beloften waarvan al vooraf duidelijk was dat ze nooit waargemaakt konden worden, zegt de Nationale Ombudsman. „Ik vind dat niet eerlijk tegenover de mensen in Nederland. Het heeft stilgestaan.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/06/19/het-was-stoer-doen-zegt-de-ombudsman-over-kabinet-schoof-wetsvoorstellen-en-moties-waren-voor-de-buhne-niet-voor-de-burger-a4897576 www.nrc.nl (19 jun 2025)]

Etymologie

*Oude afleiding van het voltooid deelwoord van beloven .

Vertalingen

Engelspromise
Franspromesse
DuitsVersprechen, Gelöbnis
Spaanspromesa
Poolsobietnica