bende
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɛn.də/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motievenDe bende van Nijvel was berucht voor haar geweld.
- een rommelige toestand bijv. een beestenbende of een teringbende, rotzooiOei, wat een riekende bende is het hier!Wat een onvoorstelbare bende.
- (informeel) grote hoeveelheidwat een bende knikkers heb jij, zeg
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘troep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1525
Uitdrukkingen
- [1] Een bende oprollen.
Vertalingen
Engelsgang
Fransbande criminelle
DuitsBande
Spaanspandilla
Italiaansbanda
Portugeesgangue
Chinees童黨
Japansストリートギャング
Koreaans폭력 조직
Arabischعصابة
Poolsgang, banda
Zweedsgäng
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek