bende

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɛn.də/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
    De bende van Nijvel was berucht voor haar geweld.
  2. een rommelige toestand bijv. een beestenbende of een teringbende, rotzooi
    Oei, wat een riekende bende is het hier!
    Wat een onvoorstelbare bende.
  3. informeel (informeel) grote hoeveelheid
    wat een bende knikkers heb jij, zeg

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘troep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1525

Uitdrukkingen

  • [1] Een bende oprollen.

Vertalingen

Engelsgang
Fransbande criminelle
DuitsBande
Spaanspandilla
Italiaansbanda
Portugeesgangue
Chinees童黨
Japansストリートギャング
Koreaans폭력 조직
Arabischعصابة
Poolsgang, banda
Zweedsgäng