benedictie

vrouwelijk (de)/benə'dɪksi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dankgebed
    Vanaf de tweede inauguratie van president Franklin D. Roosevelt in 1937 zijn er ten minste twee gebeden in de officiële ceremonie opgenomen. Ze worden niet in de kerk maar in de vergadering van het Congres, waar de beëdiging plaatsheeft, uitgesproken. Voorafgaand aan het inzweren van de president wordt het openingsgebed, de invocatie, uitgesproken en na afloop het slotgebed, de benedictie genoemd. Reformatorisch Dagblad W. B. Kranendonk 19-01-2009 [https://www.rd.nl/kerk-religie/bidden-preken-en-danken-1.100965 Bidden, preken en danken]
  2. zegen uitgesproken door een rooms-katholieke priester
    Wanneer echter het kind in dootsgevaar is, doopt men het eerder, uit vreeze, zeggen zy, dat het niet buiten het licht sterve. De Priester nadert tot het portaal van de Kerk, om het kind aan te neemen, en het den zegen of de Benedictie te geven gelyk eertyds St. Simeon aan Jezus Christus deedt. (1736)–Bernard Picart [https://www.dbnl.org/tekst/pica002naau05_01/pica002naau05_01_0017.php Naaukeurige beschryving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerk-zeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt. Deel 5]

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zegening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236