benijden

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft en met de nodige pijn ervaren dat dat niet het geval is, jaloers zijn
    Ik benijd mensen die rijker zijn dan ik ben.
    Hij was niet te benijden met al die problemen met zijn gezondheid.

Etymologie

*van Middelnederlands "beniden"; op te vatten als afgeleid van een verouderd "nijden"

Vertalingen

Engelsenvy
Fransenvier
Duitsbeneiden
Spaansenvidiar