bepleistering
vrouwelijk (de)/bə'plɛɪstərɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- laag kalk of pleister die als afwerking op een muur of wand is gesmeerdTussen de ranken hielden zich talrijke hagedissen en insekten op, die zich op de gebarsten bepleistering door de zon lieten koesteren of onder de schaduwrijke bladeren verkoeling zochten.We liepen tegen de afschilferende bepleistering aan, maten elkaar met de blik en keken elkaar in de ogen.
Etymologie
* afleiding van (nomact) van bepleisteren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek