bepleistering

vrouwelijk (de)/bə'plɛɪstərɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. laag kalk of pleister die als afwerking op een muur of wand is gesmeerd
    Tussen de ranken hielden zich talrijke hagedissen en insekten op, die zich op de gebarsten bepleistering door de zon lieten koesteren of onder de schaduwrijke bladeren verkoeling zochten.
    We liepen tegen de afschilferende bepleistering aan, maten elkaar met de blik en keken elkaar in de ogen.

Etymologie

* afleiding van (nomact) van bepleisteren