berouwen

/bəˈrɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~ over; met persoon als onderwerp: spijt hebben van iets
    Lange berouwt zich nu over zijn hand- en spandiensten aan de grote fraudeurs.
  2. intr (intr) met persoon als meewerkend voorwerp: spijten
    Het berouwde hem nog lang dat hij dat gedaan had.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "berouwen" / "berowen" van Oudnederlands "beruuuan" / "biriuwon", in de betekenis van ‘spijt doen hebben’ voor het eerst aangetroffen in 901; op te vatten als afgeleid van "rouwen"

Uitdrukkingen

  • Berouw komt na de zondeals het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
  • Berouw komt steeds te laatals het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw

Vertalingen

Engelsregret, repent
Spaansarrepentirse