betel

mannelijk/vrouwelijk (de)/'betəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde, specerij (plantkunde) (specerij) Aromatische, antibacteriële, stimulerende kruidachtige klimplant met halfverhoute stengels, glanzende tot 15 cm lange spitse bladeren en vlezige vruchten. Betelbladeren zijn goed voor het immuunsysteem.Bruikbare delen zijn de bladeren en de olie. De bladeren smaken enigszins naar kruidnagelen. Ze worden voornamelijk gebruikt om ze om betelnoten van de betelpalm te wikkelen en die dan op te kauwen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘blad van plant waarop men kauwt’ voor het eerst aangetroffen in 1596

Vertalingen

Spaansareca, betel, buyo