betrekking

vrouwelijk (de)/bəˈtrɛkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. band of relatie tussen personen of groepen
    Dat land heeft geen diplomatieke betrekkingen met Nederland.
  2. economie (economie) bezigheid waarvoor iemand geregeld inkomen krijgt
    Ze heeft momenteel een tijdelijke betrekking.
    Maar zij leek de witte studentenpet op te vatten als de afsluiting van al dat studeren en de start van een hogere positie in de samenleving, en daarmee het toegangsbiljet tot een goede betrekking.
  3. samenhang of verband tussen bepaalde zaken
    Dit zeg ik u met betrekking tot uw vraag.
    Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.
    Na veel lees- en denkwerk zul je je realiseren dat heel veel zaken die betrekking hebben op all-inclusive vakanties in werkelijkheid niet zo zijn als ze lijken of worden voorgespiegeld.

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘werkkring’ aangetroffen vanaf 1866

Uitdrukkingen

  • vastheid van betrekking
  • met betrekking tot

Vertalingen

Engelsrelation, position, office
Fransrelation, emploi, office
DuitsBeziehung, Amt, Stellung
Spaansrelación, empleo, cargo