beugel

mannelijk (de)/ˈbøː.ɣəl/

Wat is de betekenis van beugel?

beugel betekent: (techniek) U-vormige metalen voorwerp (dan half-open) maar ook (metalen) ring

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) U-vormige metalen voorwerp (dan half-open) maar ook (metalen) ring
  2. verende en scharnierende ring tot sluiting van een fles
  3. tandheelkunde (tandheelkunde) hulpmiddel waarmee de stand van het gebit kan worden gecorrigeerd
  4. medisch (medisch) een uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standsafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van gewrichten of van de wervelkolom
  5. elektrotechniek (elektrotechniek) stroomafnemer gebruikt door een trolleyvoertuig, pantograaf

Voorbeelden van "beugel" in een zin

  • de loodgieter bevestigde de leiding met een beugel op de muur

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands bōghel, bueghel, ontwikkeld uit Oergermaans *bugila-, afleiding bij het werkwoord *beugan-, waaruit buigen, met het achtervoegsel *-ila voor werktuignamen. Evenals Nederduits Bögel, Duits Bügel en Fries bûgel.

Uitdrukkingen

  • Niet door de beugel kunnenvan een handeling dat deze niet goedgekeurd kan worden

Vertalingen

Engelstrolley
Spaanspantógrafo