beugel
mannelijk (de)/ˈbøː.ɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) U-vormige metalen voorwerp (dan half-open) maar ook (metalen) ringde loodgieter bevestigde de leiding met een beugel op de muur
- verende en scharnierende ring tot sluiting van een fles
- (tandheelkunde) hulpmiddel waarmee de stand van het gebit kan worden gecorrigeerd
- (medisch) een uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standsafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van gewrichten of van de wervelkolom
- (elektrotechniek) stroomafnemer gebruikt door een trolleyvoertuig, pantograaf
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands bōghel, bueghel, ontwikkeld uit Oergermaans *bugila-, afleiding bij het werkwoord *beugan-, waaruit buigen, met het achtervoegsel *-ila voor werktuignamen. Evenals Nederduits Bögel, Duits Bügel en Fries bûgel.
Uitdrukkingen
- Niet door de beugel kunnen — van een handeling dat deze niet goedgekeurd kan worden
Vertalingen
Engelstrolley
Spaanspantógrafo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek