beurshandel

mannelijk (de)/'børshɑndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aan- en verkoop van zaken tijdens een handelsbeurs
    Rekende hij alsnog op het martelaarschap voor zijn zoon, een martelaarschap waartegen hij zich eind april op hoog bevel verzet had? Quispel kon het niet langer aanhoren, deze speculatie, deze internationale beurshandel in zinloze dood.
  2. aan- en verkoop van aandelen en obligaties aan een effectenbeurs
    Alleen beurshandelaar FlowTraders slaagde er weer in om te stijgen. Het bedrijf leeft van beurshandel, of koersen nu omhoog of omlaag gaan.