bewaken

/bəˈwakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
    De president wordt 24/7 bewaakt.
    `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.
  2. ov (ov) ervoor zorgen dat iemand niet ontsnapt
    De gevangenen worden constant bewaakt.
  3. ov (ov) iets in het oog houden
    Hij moest het budget van de bewaken bewaken.
    De zieke werd 24/7 bewaakt op de IC.
  4. sport (sport)zorgen dat een aanvaller niet kan scoren
    De gevaarlijke spits werd continu bewaakt via mandekking.

Etymologie

*Afgeleid van waken .

Vertalingen

Engelsguard
Fransgarder
Duitsbewachen
Spaansguardar, vigilar, custodiar
Deensbevogte