bewapenen

/bəˈwapənə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets of iemand van wapens voorzien
    De opstandelingen werden door het buurland bewapend.
    Door de dreiging werden de forten weer bewapend.
  2. refl (refl) zich ~: wapens uit hun opslag halen en gaan dragen
    De politie bewapende zich met zwaarder materieel om aan de bendeoorlog een einde te kunnen maken.
    Door de internationale spanningen gingen de verschillende landen zich weer bewapenen.

Etymologie

*Afgeleid van wapen of afgeleid van wapenen

Vertalingen

Engelsarm
Fransarmer
Duitsbewaffnen
Spaansarmar, armarse
Italiaansarmare
Poolsuzbrajać, uzbrajać się
Deensbevæbne, bevæbne