bewegen
/bəˈweɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) van plaats veranderen, niet stilstaanOm te kunnen bewegen hebben veel dieren een uitgebreid zenuw- en spierstelsel.De slang was meer dan een meter lang en ik bekeek het dode dier rustig tot hij plotseling opeens weer begon te bewegen.Blijven bewegen was de remedie.
- (ov) in beweging brengenDat werd bewogen door de wind.
- (refl) zich ~ actie ondernemen om een beweging te makenNa zijn ongeval kon hij zich niet meer zo goed bewegen.
- (refl) zich ~ omgaan met mensen waarbij men isHij beweegt zich in de hoogste kringen.
Etymologie
*van Middelnederlands "bewegen" / "beweghen", in de betekenis van ‘in beweging brengen of zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1301, op te vatten als oude afleiding van "wegen" ; verwant met "bewege", "bewegen", "bewegen" en "biwegan"
Uitdrukkingen
- Hemel en aarde bewegen — Al het mogelijke doen om iets wat moeilijk te realiseren valt, toch te bewerkstelligen
Vertalingen
Engelsmove
Fransbouger, se mouvoir
Duitsbewegen
Spaansmover, moverse
Italiaansmuovere, muoversi
Russischдвигать
Poolsporuszać, ruszać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek