bewijsdrang

mannelijk (de)/bə'wɛɪzdrɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de onbedwingbare neiging om aan te tonen dat men gelijk heeft
  2. de onbedwingbare neiging om aan te tonen hoe geweldig men wel niet is
    Was ik blind dat ik het niet eerder kon zien? Lauren was inderdaad al die tijd het slachtoffer, en ik zag dat verdomme niet! Ik heb haar genegeerd, me geërgerd aan haar geldingsdrang. Die eeuwige bewijsdrang omdat ze zich niet gezien voelde.