bezending

vrouwelijk (de)/bə'zɛndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het als gezant, zendeling of missionaris uitgezonden worden
    In Batavia ging Holckenburgh vooral voor op de schepen die in de haven lagen. Na ongeveer twee maanden hoorde hij dat hij op Ceylon geplaatst zou worden. Hij nam „zijn bezending” volgens de notulen aan „met aangenaamheid.” Het echtpaar Holckenburgh reisde naar de nieuwe standplaats Colombo.
  2. grote hoeveelheid

Etymologie

* van zenden