bieden

/ˈbidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ditr, handel (ditr), (handel) als koper een prijs voorstellen
    Hij kreeg er twintig euro voor geboden.
  2. ditr (ditr) ter beschikking stellen, aanbieden, geven, leveren
    Dit bood hem een uitweg uit zijn problemen.
    Wij boden de slachtoffers van het verkeersongeval hulp.
    Die hoek is de beste plaats die ik u kan bieden.
  3. kaartspel (kaartspel) aankondigen een bepaald aantal slagen te zullen halen, m.n. bij bridge
    Het grootste verschil tussen bridge en whist is het bieden.[http://www.bridgeclubaduard.nl/BridgecursusSenioren_1.pdf bridgeclubaduard.nl]
  4. weerstand bieden: iets weerstaan
    ' Hij stak haar zijn hand toe, en Quick pakte hem beet, maar wel alsof ze weerstand moest bieden aan een krachtige magneet.
zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel (kaartspel) kaartspel waarbij de spelers eerst tegen elkaar opbieden en vervolgens spelen

Etymologie

* In de betekenis van ‘geven, aanbieden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • het hoofd biedeneen probleem oplossen; ergens tegen strijden

Vertalingen

Duitsbieten