bieden
/ˈbidə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ditr), (handel) als koper een prijs voorstellenHij kreeg er twintig euro voor geboden.
- (ditr) ter beschikking stellen, aanbieden, geven, leverenDit bood hem een uitweg uit zijn problemen.Wij boden de slachtoffers van het verkeersongeval hulp.Die hoek is de beste plaats die ik u kan bieden.
- (kaartspel) aankondigen een bepaald aantal slagen te zullen halen, m.n. bij bridgeHet grootste verschil tussen bridge en whist is het bieden.[http://www.bridgeclubaduard.nl/BridgecursusSenioren_1.pdf bridgeclubaduard.nl]
- weerstand bieden: iets weerstaan' Hij stak haar zijn hand toe, en Quick pakte hem beet, maar wel alsof ze weerstand moest bieden aan een krachtige magneet.
zelfstandig naamwoord
- (kaartspel) kaartspel waarbij de spelers eerst tegen elkaar opbieden en vervolgens spelen
Etymologie
* In de betekenis van ‘geven, aanbieden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- het hoofd bieden — een probleem oplossen; ergens tegen strijden
Vertalingen
Duitsbieten
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek