bijt
mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
Etymologie
*: "bijt" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- dat is een vreemde eend in de bijt — dat is iemand die niet past in de groep
Vertalingen
Engelshole in the ice
Franstrou dans la glace
DuitsWune, Eisloch
Spaansagujero en el hielo
Poolsprzerębel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek