woorden
boek
Start
›
B
›
bima
bima
mannelijk (de)
/ˈbima/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
verhoogd platform in de synagoge, waar de chazan staat en de Tora wordt voorgelezen
Etymologie
* בִּימָה (bima)
Synoniemen
bieme
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← bim
bima's →