binnenband

mannelijk (de)/ˈbɪnə(n)ˌbɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
    Gister reed ik door glas, maar alleen mijn buitenband is beschadigd. Aan mijn binnenband zie je niks, dus ik kan nog gewoon fietsen.

Vertalingen

Engelsinner tube
Franschambre à air
DuitsSchlauch
Spaanscámara de aire, cámara interior, tubo interior
Poolsdetka