bitsigheid
vrouwelijk (de)/'bɪtsəxhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin men boos en ongeduldig isVoor een moedig ridder als hij, was die onmacht pijnlijk, en soms knarste hij met inwendige bitsigheid de tanden te samen - maar wat kon dit helpen? Er bleef hem niets over, dan een smartvolle traan over zijn geliefde te storten en van betere dagen te dromen.
- handeling die getuigt van boze ongeduldigheidDe staatjuffer werd met bitsigheid toegesproken en alle haar daden met gramschap berispt en beknibbeld: halssnoeren en oorbellen werden als nietswaardige voorwerpen hier of daar neergesmeten, terwijl morrende spreuken zonder ophouden uit de mond der Vorstin vielen.
Etymologie
*afleiding van bitsig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek