bitsigheid

vrouwelijk (de)/'bɪtsəxhɛɪt/

Wat is de betekenis van bitsigheid?

bitsigheid betekent: de mate waarin men boos en ongeduldig is

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men boos en ongeduldig is
  2. handeling die getuigt van boze ongeduldigheid

Voorbeelden van "bitsigheid" in een zin

  • Voor een moedig ridder als hij, was die onmacht pijnlijk, en soms knarste hij met inwendige bitsigheid de tanden te samen - maar wat kon dit helpen? Er bleef hem niets over, dan een smartvolle traan over zijn geliefde te storten en van betere dagen te dromen.
  • De staatjuffer werd met bitsigheid toegesproken en alle haar daden met gramschap berispt en beknibbeld: halssnoeren en oorbellen werden als nietswaardige voorwerpen hier of daar neergesmeten, terwijl morrende spreuken zonder ophouden uit de mond der Vorstin vielen.

Etymologie

*afleiding van bitsig