blaam

mannelijk/vrouwelijk (de)/blam/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een slechte reputatie
    Je moet geen blaam op hem werpen.
  2. verouderd (verouderd) schuld [2], verantwoordelijkheid

Etymologie

* Leenwoord uit het Oudfrans, zie "blâmer". Verder te herleiden tot Latijn blastemare/blasphemare en uiteindelijk "βλασφημία" (zie ook blasfemie). In de betekenis van ‘smet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265.

Uitdrukkingen

  • Mij treft geen blaamMij valt niets te verwijten

Vertalingen

Engelsblame
Fransblâme
DuitsTadel
Spaansculpa, mancha