blindheid
vrouwelijk (de)/'blɪndɦɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een toestand waarin men niet in staat is te zienDeze ziekte leidt tot blindheid.
- het een overduidelijke waarheid niet kunnen of willen zien of erkennen'Meneer, het zou kunnen dat ik inderdaad iets heb vernomen van de geruchten waar u op zinspeelt. Maar als die verhalen kloppen, zou er mijns inziens sprake zijn van een plaag van blindheid. Prins Henry zou toch blind hebben moeten zijn om zijn aanbedene niet te herkennen, of om een lelijk meisje aan te zien voor een ongeëvenaarde schoonheid? En mijn dochters zouden wel blind hebben moeten zijn voor hun spiegelbeeld en voor de blik in de ogen van degenen die hen aankijken...'
Etymologie
*Afgeleid van blind .
Uitdrukkingen
- Met blindheid geslagen zijn
Vertalingen
Engelsblindness
Franscécité
DuitsBlindheit
Spaansceguedad, ceguera, invidencia
Russischслепота
Chinees盲目性
Japans盲目, もうもく
Koreaans장님
Poolsślepota
Zweedsblindhet
Deensblindhed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek