blozen
/ˈblozə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamteToen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij.Het blozende meisje kreeg een blos op haar wangen.Ze speelde met het bovenste bierviltje van een stapeltje dat voor haar op tafel lag en hoopte dat ze niet ging blozen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘rood worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290
Vertalingen
Engelsblush
Fransrougir
Duitserröten
Spaansruborizarse, sonrojarse, sonrojearse
Italiaansarrossire
Russischпочервоніти, краснеть, покраснеть
Poolszaczerwienić
Zweedsrodna
Deensrødme
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek