blozen

/ˈblozə(n)/

Wat is de betekenis van blozen?

blozen betekent: (inerg) rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte

Voorbeelden van "blozen" in een zin

  • Toen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij.
  • Het blozende meisje kreeg een blos op haar wangen.
  • Ze speelde met het bovenste bierviltje van een stapeltje dat voor haar op tafel lag en hoopte dat ze niet ging blozen.

Betekenis en uitleg van blozen

Blozen is het plotseling rood worden van je gezicht, vaak als reactie op verlegenheid, schaamte of opwinding. Het gebeurt meestal onbewust en kan een teken zijn dat je je ongemakkelijk voelt of je ergens voor schaamt.

Je gebruikt het woord 'blozen' in situaties waarin iemand zich ongemakkelijk of beschaamd voelt, bijvoorbeeld bij het maken van een compliment of het horen van een gênante opmerking. Het kan ook optreden bij positieve emoties, zoals verliefdheid. Blozen is een heel menselijke reactie en wordt vaak gezien als een teken van oprechtheid of kwetsbaarheid.

Voorbeelden

  • Toen hij haar compliment over zijn nieuwe outfit hoorde, begon hij te blozen.
  • Ze bloosde toen de leraar haar vroeg om haar huiswerk voor de klas voor te lezen.
  • Tijdens het feestje blozen ze allebei als hun vrienden hen voor de grap met elkaar proberen te koppelen.

Woordoorsprong

Het woord 'blozen' is afgeleid van het Middelnederlandse 'blosen', wat 'rood worden' betekent. Dit verwijst naar de zichtbare verandering in huidkleur.

Veelgestelde vragen over blozen

Wat is de betekenis van blozen?

blozen betekent: (inerg) rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte

Hoe gebruik je blozen in een zin?

Voorbeeld: “Toen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij.

Etymologie

* In de betekenis van ‘rood worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290

Vertalingen

Engelsblush
Fransrougir
Duitserröten
Spaansruborizarse, sonrojarse, sonrojearse
Italiaansarrossire
Russischпочервоніти, краснеть, покраснеть
Poolszaczerwienić
Zweedsrodna
Deensrødme