bodem
mannelijk (de)/ˈbodəm/
Wat is de betekenis van bodem?
bodem betekent: een onderkant
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een onderkant
- de grond
- (scheepvaart) een schip
- de grond die normaliter de water bedekt is
- het meest fundamentele van iets
- het begin, de basis van waaruit men verder kan werken
Voorbeelden van "bodem" in een zin
- De bodem van de emmer is lek.
- Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.
- De bodem raakte hierdoor verontreinigd.
- In de haven lag een vloot van meer dan dertig Engelse bodems.
- Het schip ligt op de bodem van de rivier.
Etymologie
* In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Uitdrukkingen
- Alle hoop de bodem in (laten) slaan — door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben
Vertalingen
Engelsbottom
Spaansfondo, suelo
Poolsdno, gleba, ziemia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek