bodemerij

vrouwelijk (de)/ˌbodəməˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel, geschiedenis (handel) (geschiedenis) lening waarvan de aflossing en rente niet betaald hoeven te worden voor zover een schip of een scheepslading op zee verloren gaat
    Andere handelspraktijken, zoals de partenrederij (opdeling van het risico door het eigendom van een schip op te delen in een groot aantal verhandelbare ‘scheepsparten’) of de bodemerij (verpanding van schip en lading om fondsen voor de uitrusting en de vaart te verkrijgen) maakten de Hollandse koopvaardij tot een bedrijfstak die beter tegen de risico's van oorlog, kaapvaart, natuurgeweld en andere oorzaken van averij was opgewassen dan die van veel andere landen.

Etymologie

*afgeleid van "bodemen"