boef

mannelijk (de)/buf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. misdaad, scheldwoord (misdaad), (scheldwoord) iemand die zich misdadig gedraagt
    De boeven werden op heterdaad betrapt.
    Hij was zowel boef als bevrijder. Tijdens het bestuur van de rechtse Boigny, een stamhoofd en de zoon van een rijke plantagehouder, belichaamde de linkse Gbagbo de hoop op een breuk met het koloniale verleden. Nergens in Afrika had een oud-kolonisator zo veel invloed als Frankrijk in Ivoorkust. Gbagbo presenteerde zijn oppositie tegen Boigny als antikoloniale strijd.Toon BeemsterboerKoert & Lindijer NRC 28 januari 2016
  2. (in afgezwakte vorm; schertsend) ondeugend kind
    Jij kleine boef, wat heb je nu weer gedaan?

Etymologie

* In de betekenis van ‘schurk’ voor het eerst aangetroffen in 1260

Vertalingen

Engelsrogue, rascal
Fransbandit, voyou
DuitsSpitzbube, Schurke
Spaansgolfo, pícaro, bellaco