boerderij

vrouwelijk (de)/burdə'rɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) een woning met bedrijfsruimte van een boer
    Hij wilde er op een boerderij een plattelandsbestaan opbouwen, maar had geen rekening gehouden met de primitieve omstandigheden en mores in deze uithoek van het land.Ger Groot NRC 8 juni 2016
    Ik vertelde over mijn herinneringen aan de boerderij als kind en hoe bijzonder ik het rood met grijs geverfde houtwerk binnen altijd had gevonden.
  2. landbouw (landbouw) een onderneming van een boer
    James Small begrijpt het wel. Zijn boerderij, die hij samen met zijn vader en oom runt, strekt zich uit tot aan de Cheddar Gorge, de grotten waarin de gelijknamige kaas oorspronkelijk werd gerijpt. Ruim 222 hectare hebben de Smalls, en ze huren nog eens 243 hectare. Ze houden schapen, koeien, varkens en sinds een paar jaar kun je op Warren Farm ook in houten huisjes luxe ‘kamperen’.Titia Ketelaar NRC 27 mei 2016
    Al dat eten stuurde ik vervolgens in zeven verschillende postdozen naar mezelf vooruit, omdat de trail alleen maar door de wildernis trok en de voedselprijzen erg hoog waren in de gehuchten waar ik af en toe langs zou komen. Ik had verschillende postadressen gevonden van afgelegen boerderijen, hostels en postbussen die op een paar kilometer van de trail lagen.

Etymologie

* van boeren

Vertalingen

Engelsfarm, farmstead, farm
Fransferme, exploitation agricole
DuitsBauernhof, Gehöft, Bauernhof
Spaansgranja, granja
Italiaansfattoria
Portugeesfazenda, sítio, granja
Russischферма
Poolsgospodarstwo, farma
Zweedsgård
Deensgård