boes
mannelijk/vrouwelijk (de)/bus/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (veeteelt) (Zuidhollands) deel van een koestal, waar de koeien met hun achterpoten staan
- schommel
- drankje
Etymologie
* Leenwoord uit het Fries, uit Oudfries boes-, bōs- ‘koestal’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek