boes

mannelijk/vrouwelijk (de)/bus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) (Zuidhollands) deel van een koestal, waar de koeien met hun achterpoten staan
  2. schommel
  3. drankje

Etymologie

* Leenwoord uit het Fries, uit Oudfries boes-, bōs- ‘koestal’.