boeten
/ˈbutə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) ~ voor: straf ondergaan, nadeel ondervinden van een foute handeling- Hij boette zwaar voor zijn vergrijp.- Hij moest boeten voor de fouten van zijn baas, want hij is ontslagen omdat het bedrijf failliet is gegaan.
- (ov) het repareren van een visnetDe vissers boetten hun beschadigde netten.
Etymologie
* In de betekenis van ‘herstellen, goedmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1253
Vertalingen
Engelspay for, mend, repair
Duitsbüßen
Spaansexpiar, remendar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek