boetpredicatie

vrouwelijk (de)/ˈbutprediˌka(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) preek waarin gelovigen wordt voorgehouden welke verkeerde dingen zij hebben gedaan en hoe ze dat weer goed moeten maken
    Op dat tempelplein heeft Jezus, kort na zijn aankomst in Jeruzalem, de tafels van de wisselaars omgegooid en een enorme boetpredicatie gehouden.
  2. figuurlijk (figuurlijk) dreigende vermaning
    Alleen de schone Alida had het noodzakelijk gevonden om een boetpredicatie tegen Antje te houden en zij had Antje op alle moge-lijke manieren verweten dat ze met òns was meegegaan en niet met haar!