boezel

onzijdig (het)/ˈbuzəl/

Wat is de betekenis van boezel?

boezel betekent: stof waarvan boezelaars zijn gemaakt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stof waarvan boezelaars zijn gemaakt
zelfstandig naamwoord
  1. keukenschort gedragen om de kleding tegen morsen te beschermen

Voorbeelden van "boezel" in een zin

  • En een andere dame, die een meer structureel pleidooi hield voor Nederlandse werkgelegenheid, schreef rond dezelfde tijd in het Algemeen Handelsblad: 'Kom Antje, Grietje en Dien, met uw frissche, roode koonen, met uw helder katoenen japonnetje en hagelwitten boezel, met uw stevige arm en handen die naar werken staan, vreest gij den strijd met de bleeke meisjes en juffers van ginds?'

Etymologie

* afleiding van boezelaar