bokking
mannelijk (de)/ˈbɔkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) (voeding) gerookte en gezouten haringIk vind een bokking op z'n tijd heerlijk.
Etymologie
*Afgeleid van bok : bokk(el)ing.
Vertalingen
Engelsbuckling, smoked herring, red herring
Franshareng saur
DuitsBückling
Spaansarenque ahumado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek