boks

vrouwelijk (de)/bɔks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) ruim zittende broek
  2. zachte stomp met de gebalde vuist tegen de vuist van een ander als teken van instemming of begroeting
    Hij gaf me een boks en vertrok meteen de kloof in om water te halen.

Etymologie

*: "boksen"