boktor

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɔktɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kevers (kevers) grote kever met lange voelsprieten uit de familie
    Ze onderzochten een boktor in de biologieles.

Etymologie

*, omdat de voelsprieten aan de hoorns van een bok doen denken, in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1766