bon ton
mannelijk (de)/bɔ̃ˈtɔ̃/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dat wat in bepaalde kringen als welgemanierd wordt beschouwd
Etymologie
* , Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘welgemanierdheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1765
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek