bons

mannelijk (de)/bɔns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een geluid veroorzaakt bij het bonzen
    Hij hoorde een luide bons en rende de trap op om te zien wat er nu weer gedeurd was.
    Een paar seconden later hoorde het drietal een harde bons waarop een plons volgde.
  2. een machtige functionaris in een bond of partij
    De bonzen zullen daar nooit mee akkoord gaan.
tussenwerpsel
  1. klanknabootsing van het geluid van een dreun of smak

Etymologie

* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1787

Uitdrukkingen

  • iemand de bons gevenhet beëindigen van een liefdesrelatie
  • de bons krijgenafgedankt worden