bont
onzijdig (het)/bɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dierenhuid met vacht, "pelswerk", dat als kleding dientVolgens mij houdt ze eigenlijk niet van bont.
Etymologie
#bonte verzameling: een verzameling met heel veel van elkaar verschillende elementen
Uitdrukkingen
- Iemand bont en blauw slaan — (Letterlijk) Iemand dusdanig hard slaan dat die er blauwe plekken aan overhoudt; iemand hard slaan, hem een pak rammel geven
- Het al te/erg bont maken — Zich extreem gedragen, veel te ver gaan (vgl. Het al te gortig maken)
Vertalingen
Engelsmulticoloured, fur, fur coat
Fransbigarré, fourrure
Duitsbunt, Pelz
Spaansabigarrado, multicolor, variopinto
Russischмех
Poolsfutro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek