bonus
mannelijk (de)/ˈbonʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een extraatje, meestal als beloningManagers krijgen vaak een bonus (heeft echter weinig te maken met 'goed') maar nooit een malus (hoewel daar nu juist vaak een reden voor is)!de tijdgeest: iedere 'topman' van een kauwgomballenfabriek geeft zichzelf ieder jaar een bonus van minstens 3 miljoen euroEr is geen duidelijke relatie tussen de prestaties van een beursgenoteerd bedrijf en het toekennen aan bonussen aan bestuursleden. [http://www.nu.nl/economie/2844358/verlies-bedrijf-geen-drempel-bonus.html www.nu.nl]
Etymologie
*Leenwoord uit het Latijn. Komt van het Latijnse bonus (goed).
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek