boodschap

vrouwelijk (de)/ˈbotsxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) overgebracht bericht
    Hartverscheurend en zielsnijdend is ‘Vurdular Bizi’, vertaald als They Shot Us. Het nummer opent met een geluidsfragment van de vredesdemonstratie van 10 oktober 2015 in Ankara. De menigte zingt een vredelievende boodschap die wordt overstemd door explosies die 102 mensen het leven zouden kosten.Leendert van der Valk NRC 12 april 2016
  2. huishouden (huishouden) levensmiddel of andere alledaagse aanschaf
    Ik had nog snel een boodschap gehaald bij de supermarkt en was onderweg naar mijn geparkeerde auto toen het begon te regenen.
    Maandag waarschuwde het CBL al dat deze blokkade op langere termijn ook invloed kan hebben op de boodschappen als de leveringen helemaal stilgelegd moeten worden. Ook onder andere de bezorgdienst Picnic en flitsbezorgers als Gorillas ondervinden hinder van de boerenprotesten.

Etymologie

*van Middelnederlands "bodescap" / "bootscap", op te vatten als afgeleid van bode , in de betekenis van ‘bericht’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Dat is de boodschapDat is wat er nu moet gebeuren
  • De juiste boodschapHet juiste bericht, signaal of teken
  • Geen boodschap hebben aan ietsErgens niets mee te maken willen hebben, of zich niets van iets aan willen trekken
  • Die kun je wel om een boodschap sturenDie is bijdehand.
  • Een kleine/grote boodschap [doen]{{eufemisme|nld

Vertalingen

Engelsmessage, number one, number two
Franscommission
DuitsBotschaft, Nachricht, Besorgung
Spaansrecado, mensaje, recado
Zweedsmeddelande, budskap, bud