boogvorm

mannelijk (de)/'boxfɔrm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit uiterlijk van een boog; met het uiterlijk van een gekromde lijn of een gekromd vlak
    Toen dat geluid verdwenen was had de slinger dezelfde boogvorm naar zijn hoogste punt aan de andere zijde gevolgd, en na een moment pauze begon het zijn zwaai terug.
    Dat wil zeggen dat de typische boomvorm niet die van afbeelding ia is, maar die van waarbij alle grote takken hun kleinere geledingen doen uitwaaieren binnen de begrenzende boogvorm, en dat elk van die afzonderlijke takken er eerder uit zal zien als 2b dan als 2a, en ongeveer de vorm heeft van een stronkje broccoli.