Boom

mannelijk (de)/bom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij een of meer verhoute stammen heeft
    De meeste bomen komen voor in de tropen en subtropen. Per jaar worden er zo'n 15 miljard bomen gekapt. Daarvoor worden er slechts 5 miljard terug geplant.
    ‘De hele trail is aangelegd en geschikt voor paarden, nooit te steil, echt waanzinnig. Het pad gaat zelden rechtstreeks de berghelling op, er zijn telkens van die eindeloze haarspelden die zigzaggend de berg op en af gaan. Tja, dit stuk is inderdaad echt zwaar met al die omgevallen grote bomen.
  2. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
  3. (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
  4. scheepvaart (scheepvaart) een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden
  5. bouwkunde (bouwkunde) zijkant van een trap of ladder waar de treden of sporten aan bevestigd zijn
  6. informatica (informatica) een abstracte datastructuur gelijkend op [1]
  7. informeel (informeel) lang gesprek
    Een boom over iets opzetten.
zelfstandig naamwoord
  1. sterke toename

Etymologie

**[2] terug ontleend van """

Uitdrukkingen

  • als een blad aan een boom veranderen
  • botertje aan de boom
  • botertje tot de boom
  • de kat uit de boom kijken
  • door de bomen het bos niet meer zien
  • een boom van een vent
  • een dood paard aan een boom (vast)binden
  • hij kan me de boom in

Vertalingen

Engelstree, boom, boom
Fransarbre
DuitsBaum
Spaansárbol
Italiaansalbero
Portugeesárvore
Russischдерево
Japans木, 樹木
Koreaans나무
Turksağaç
Poolsdrzewo
Zweedsträd
Deenstræ