Boom

mannelijk (de)/bom/

Wat is de betekenis van Boom?

Boom betekent: een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij een of meer verhoute stammen heeft

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij een of meer verhoute stammen heeft
  2. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
  3. (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
  4. scheepvaart (scheepvaart) een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden
  5. bouwkunde (bouwkunde) zijkant van een trap of ladder waar de treden of sporten aan bevestigd zijn
  6. informatica (informatica) een abstracte datastructuur gelijkend op [1]
  7. informeel (informeel) lang gesprek
zelfstandig naamwoord
  1. sterke toename

Voorbeelden van "Boom" in een zin

  • De meeste bomen komen voor in de tropen en subtropen. Per jaar worden er zo'n 15 miljard bomen gekapt. Daarvoor worden er slechts 5 miljard terug geplant.
  • ‘De hele trail is aangelegd en geschikt voor paarden, nooit te steil, echt waanzinnig. Het pad gaat zelden rechtstreeks de berghelling op, er zijn telkens van die eindeloze haarspelden die zigzaggend de berg op en af gaan. Tja, dit stuk is inderdaad echt zwaar met al die omgevallen grote bomen.
  • Een boom over iets opzetten.

Betekenis en uitleg van Boom

Een boom is een grote, houtachtige plant die vaak een stevige stam heeft en takken die zich hoog in de lucht uitstrekken. Ze zijn essentieel voor ons ecosysteem, omdat ze zuurstof produceren en schuilplaatsen bieden voor vele dieren.

Het woord 'boom' gebruik je vaak in de context van natuur, maar ook in metaforische zin, zoals in 'de boom van de economie'. Daarnaast komen bomen in verschillende soorten voor, zoals loofbomen en naaldbomen, en hebben ze elk hun eigen kenmerken en functies. In gesprekken over milieubewustzijn en duurzaamheid is de rol van bomen vaak een belangrijk onderwerp.

Voorbeelden

  • Tijdens ons wandeltocht door het bos bewonderden we de majestueuze eikenboom die al eeuwenoud leek.
  • De boom van de economie groeit gestaag, waardoor er meer werkgelegenheid ontstaat.
  • In de herfst veranderen de bladeren van de boom in prachtige tinten rood en goud.

Woordoorsprong

Het woord 'boom' stamt af van het Germaanse woord 'bauma', wat ook verwijst naar een houten structuur.

Veelgestelde vragen over Boom

Wat is de betekenis van Boom?

Boom betekent: een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij een of meer verhoute stammen heeft

Hoeveel betekenissen heeft Boom?

Boom heeft 8 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft Boom?

Boom is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van Boom?

Synoniemen van Boom zijn: hengel, vaarboom.

Hoe gebruik je Boom in een zin?

Voorbeeld: “De meeste bomen komen voor in de tropen en subtropen. Per jaar worden er zo'n 15 miljard bomen gekapt. Daarvoor worden er slechts 5 miljard terug geplant.

Etymologie

**[2] terug ontleend van """

Uitdrukkingen

  • als een blad aan een boom veranderen
  • botertje aan de boom
  • botertje tot de boom
  • de kat uit de boom kijken
  • door de bomen het bos niet meer zien
  • een boom van een vent
  • een dood paard aan een boom (vast)binden
  • hij kan me de boom in

Vertalingen

Engelstree, boom, boom
Fransarbre
DuitsBaum
Spaansárbol
Italiaansalbero
Portugeesárvore
Russischдерево
Japans木, 樹木
Koreaans나무
Turksağaç
Poolsdrzewo
Zweedsträd
Deenstræ